Managementsamenvatting

Al in 2006 was bekend†[1] dat de Europese afspraken met autofabrikanten om de CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s terug te dringen, tegen zouden (gaan) vallen. Voor Nederland was het de verwachting dat de CO2-emissies voor de sector verkeer en vervoer in 2010 (+5%) en 2020 (+2%) hoger zouden zijn dan in de vorige raming.

Driever [2]†geeft aan dat 40% CO2-reductie ten opzichte van 1990 mogelijk is door de toepassing van alternatieve energiebronnen en technologische innovaties. De opdrachtgever, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (Min. IenE) bij monde van RWS, geeft aan dat de CO2-reductiedoelen voor 2050 van de EU waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd, zoals het zich nu laat uitzien, niet kunnen worden gehaald met conventionele technieken, zoals fossiele brandstoffen (diesel en benzine) en auto’s met louter verbrandingsmotoren. Verder wordt aangegeven dat mobiliteit met 32% van totale CO2-uitstoot een van de grootste vervuilers is. In dit segment dienen de beoogde resultaten met nieuwe technieken behaald te worden.


De EU ziet kansen binnen verschillende segmenten (zie tabel 1) en dicteert (“Clean Power for Transport: A European alternative fuels strategy”) verschillende netwerken voor alternatieve brandstoffen [3]

Tabel 1: Transportmodaliteit en afstand versus alternatieve brandstoffen (bron: EU, 2014)

Voor personenwagens wordt de toepassing van waterstof op de korte, middellange en lange termijn aangegeven en de (pure) elektrische aandrijvingen alleen op de korte termijn.

Evenals het Min. IenM ziet de gemeente Arnhem (gem. Arnhem) in de toepassing van waterstof in de mobiliteit een grote potentie, vooral in de toepassing van waterstofvoertuigen. Meer specifiek betreft het hier elektrisch aangedreven voertuigen, die naast batterijen die voor de elektrische energie zorg dragen, ook over waterstoftechnologie beschikken. Zowel het Min. IenM als gem. Arnhem geven aan dat er op dit moment nog weinig bekend is over het gebruik van waterstofvoertuigen in Nederland.

Dit voorstel omvat een monitoringprogramma op minimaal 3 waterstofvoertuigen over een periode van 4 jaar vanaf 1 april 2015 (eindrapportage eind maart 2019) in opdracht van het Min. IenM (RWS) en gem. Arnhem. Over deze periode worden op basis van de verzamelde gegevens het energieverbruik, de CO2-emissies en de gebruikerservaringen geanalyseerd. Gedurende de looptijd van het project kan, afhankelijk van bewegingen in de markt, het aantal waterstofvoertuigen worden uitgebreid, in overleg met de betrokken opdrachtgevers en de potentiŽle nieuwe aanbieder. De extra projectkosten die aan deze uitbreiding gekoppeld zijn, alsmede de hiervoor benodigde extra financiering, zullen dan in het project moeten worden opgenomen.

Bronnen

  1. A. Hoen, R.M.M. van den Brink, J.A. Annema (2006). Verkeer en vervoer in de Welvaart en Leefomgeving - Achtergronddocument bij Emissieprognoses Verkeer en Vervoer. MNP rapport 500076002/2006. Bilthoven, MNP
  2. Driever, J.P.M., Passier, G.L.M. (2008). Technologisch CO2-reductiepotentieel voor transport in 2040, TNO rapport MON-RPT-033-DTS-2008-02880. Delft, TNO
  3. EU, 2014. COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL, THE EUROPEAN ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE AND THE COMMITTEE OF THE REGIONS. Clean Power for Transport: A European alternative fuels strategy. Geraadpleegd 26 maart 2014 van http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2013:0017:FIN:EN:PDF