Juridisch Dictee

Interview met Mr. Jan Vlug 2016

Medewerkers van de opleiding HBO-Rechten organiseren op dinsdag 24 mei het 6e HAN Juridisch Dictee. Het evenement daagt de deelnemers uit om in wedstrijdvorm te werken aan hun taalvaardigheid. Taal is namelijk hét gereedschap van de jurist. Traditiegetrouw leest een bekende uit de juridische wereld het dictee voor: dit jaar is mr. Jan Vlug te gast.

Hij stond de klusjesman bij in de Deventer moordzaak, en verdedigde de moordenaar van Marianne Vaatstra. Advocaat Jan Vlug, die op 24 mei het HAN Juridisch Dictee voordraagt, geldt als één van de bekendste strafpleiters van Nederland. We spraken met hem over zijn werk, maar ook over ontwikkelingen in de rechtspraak. ‘ Veel rechters waren pseudo-aristocratische brulboeien.’

Waarom destijds de keuze voor strafrecht?

‘Die keuze heb ik in eerste instantie helemaal niet gemaakt. Tijdens mijn studie aan de Nijmeegse universiteit koos ik voor faillissementsrecht en rechtspersonen- en vennootschapsrecht. Maar als advocaat kwam ik in een algemene praktijk terecht en daar raakte ik steeds meer in strafrecht geïnteresseerd. Omdat het eigenlijk de enige rechtsdiscipline is die over mensen gaat. Verder gaat bijna alles over geld.’

U bent vooral bekend van Deventer moordzaak en de zaak rond de moord op Marianne Vaatstra. Wat heeft de meeste indruk gemaakt?

‘In de Deventer moordzaak heb ik de klusjesman tien jaar bijgestaan, maar dan vooral tegen de aantijgingen van Maurice de Hond. Formeel is de klusjesman nooit aangeklaagd. De verdediging van Jasper S. die bekende Marianne Vaatstra te hebben vermoord, was veel heftiger. Bij de rechtszaak schudde ik de ouders van Marianne de hand, dan gaat er wel wat door je heen. Die zaak was ook bijzonder omdat de dader na 14 jaar nog werd gepakt door nieuwe DNA-technieken.’

Veel mensen vragen zich af hoe je iemand als Jasper S., een koelbloedige moordenaar, kunt verdedigen…

‘Ja, dat is de eeuwige vraag. Maar de controle van het juridische proces en de rol van de politie daarin, is in het belang van alle burgers. Jij en ik kunnen daar ook ooit staan. Wel zijn er zaken waarvan je achteraf zegt: dat had ik mezelf liever bespaard. Rond de Vaatstra-zaak heb ik zelf bijvoorbeeld de nodige bedreigingen gehad. Ik weet dan wel dat het waarschijnlijk een dronken idioot achter een laptop is, maar je gezin is daar begrijpelijkerwijs wat minder relativerend in.’

Ook daaruit blijkt dat rechtspraak steeds meer een zaak is van het publieke domein. Vraagt dat om nieuwe competenties voor juristen?

‘Absoluut. Ik leerde vroeger nog: praat nooit met de pers, negeer de media. Maar dat is niet meer vol te houden. Na het Vaatstraproces stonden er op zeker moment 78 journalisten buiten op me te wachten. En ik heb ze allemaal te woord gestaan. Stuk voor stuk. Daar zou in opleidingen veel meer aandacht voor moeten zijn. Hoe ga je om met de maatschappelijke discussie rond spraakmakende zaken?’

Hoe zijn je herinneringen aan Nijmegen?

‘Ik heb prima herinneringen aan de stad waar ik studeerde. Veel kroegen waar ik kwam bestaan nog steeds, al dan niet onder een andere naam: de Stoof, de Opera, d’n August. Ik kwam ook vaak bij Cinemariënburg, de voorloper van Lux. Ik was lid van Panacee, een onafhankelijk dispuut, dus ja, ik was wel wat je toen een ‘kakker’ noemde. Maar dit beroep verandert je. Ik krijg dagelijks met zoveel ellende te maken, daar kun je niet onverschillig onder blijven. Dan worden jasje en dasje langzamerhand wat minder belangrijk.’

Is de Nederlandse rechtspraak nog hetzelfde als toen?

‘Nee, binnen de rechtspraak is veel veranderd. Het is allemaal minder formeel en autoritair geworden. Toen ik bij een advocatenkantoor ging werken bemoeide mijn baas zich overal mee: wat ik in mijn vrije tijd deed, welke auto ik reed, waar ik op vakantie ging… Tegenwoordig ondenkbaar. Onder rechters had je nog veel van die pseudo-aristocratische brulboeien. Maar dat is gelukkig ook verdwenen. We kennen nu een generatie van fatsoenlijke rechters die proberen om open en transparant hun werk te doen.’

U draagt op 24 mei het HAN Juridisch Dictee voor. Hoe belangrijk is taal voor de jurist?

‘On-voor-stelbaar belangrijk. Ik kreeg gisteren nog een appèlschriftuur van een officier van justitie, vol spelfouten. Hij was bijvoorbeeld ‘verhindert’ –met een t! Je ziet het in allerlei correspondentie, ook sollicitatiebrieven. Mensen beseffen kennelijk niet dat ze daar op worden afgebrand. Hup, de prullenbak in. Taalvaardigheid is ook belangrijk bij het overtuigen van de tegenpartij. Sprekende metaforen, pakkende voorbeelden: geloof me, het helpt.’